In het Uffizi in Florence bleef ik onverwacht staan bij een schilderij van Carracci.
Een man met een aap op zijn schouder. De man lacht, alsof het erbij hoort.
Alsof hij nauwelijks merkt dat het dier hem vasthoudt.
Ik moest er vandaag opnieuw aan denken tijdens een intakegesprek.
Een man vertelde hoe hij steeds ongevraagd helpt, overal inspringt, grenzen slecht aanvoelt en in contact soms te ver gaat. Niet vanuit slechte intenties, eerder vanuit een bijna automatische behoefte om aardig, behulpzaam en betrokken te zijn. Maar juist dat begint hem nu serieus op te breken. Op zijn werk zijn er eerder waarschuwingen geweest. Nu is de situatie verder geëscaleerd. Ook thuis zorgt het voor spanning.
Wat mij opviel was hoe lastig het voor hem was om werkelijk stil te staan bij de vraag:
wat drijft mij hier eigenlijk écht? Want mensen doen dit soort dingen zelden zomaar. Onder pleasen, “te behulpzaam”, “te aanwezig” of “grenzen niet aanvoelen” zit vaak iets anders:
de behoefte om gewaardeerd te worden, erbij te horen, belangrijk te zijn, afwijzing te voorkomen, of de leegte niet te hoeven voelen die ontstaat als je níet nodig bent.
En precies daar moest ik aan denken bij dat schilderij van Carracci.
Soms dragen wij patronen zo lang met ons mee dat ze vertrouwd gaan voelen.
Ze lijken bijna samen te vallen met wie we zijn. Totdat je ontdekt:
misschien draag ik dit patroon niet alleen…
misschien draagt het míj.
En op dat kantelpunt kan echte ontwikkeling beginnen.
Niet bij schuld of schaamte.
Maar bij het eerlijk durven kijken naar de eigen drijfveren onder gedrag.
Dat vraagt moed.
Meer moed dan jezelf blijven verdedigen.
Welke patronen voelen voor jou inmiddels zo vertrouwd dat je nauwelijks nog merkt dat ze op jouw schouder zitten?